Autisme in de jeugdbeweging

De meeste kinderen en jongeren gaan graag naar de Chiro, Scouts, KLJ of één van de talrijke andere organisaties. Voor wie autisme heeft, is dat echter niet vanzelfsprekend. In dit artikel kan je lezen hoe dit komt en hoe je hier als leider op inspelen.

Contextblindheid

Wat iets betekent, leiden wij dikwijls af uit de context en uit een combinatie van verschillende zaken. Voorbeeld: een Chiroleidster steekt haar hand op. Op zich kan dat gebaar van alles betekenen. Ze kan goeiedag zeggen tegen een medeleidster die wat verderop passeert, ze kan een start- of stopteken voor een spel geven of ze kan de aandacht vragen van haar leden. Wat de opgestoken hand betekent, hangt dus af van veel andere ‘contextfactoren’; is er al dan niet een spel bezig, is het rumoerig, lopen er nog leidsters rond op het terrein… Het is niet eenvoudig om oog te hebben voor al die factoren en er het verband tussen te zien. Kinderen met autisme krijgen al die informatie niet altijd goed verwerkt. Het puzzelen in de hersenen duurt vaak langer of is moeilijk en verwarrend.

Hoe kan je als jeugdleider hiermee rekening houden?

  • Wees bedacht op misverstanden en geef zo nodig wat meer uitleg.
  • Plaats een oefening, bijvoorbeeld een knoop of een sjorring leren maken, in een groter geheel. Bijvoorbeeld: een sjorring dient om op kamp van rondhout een keuken te kunnen bouwen.

Inspirerend voorbeeld:

Om te bepalen wie als eerste mag beginnen met een spel, laat jeugdleider Sven een dobbelsteen rond gaan. ‘Wie het hoogst gooit mag beginnen’, zegt hij. Paulien (7 jaar) gooit de dobbelsteen tegen het plafond en kijkt verwachtingsvol naar Sven. Sven weet dat Paulien niet stout is maar gewoon zijn opdracht niet heeft begrepen. Hij legt uit dat het gaat om het hoogste aantal ogen op de dobbelsteen.

Verwerking van zintuiglijke informatie

Onze zintuigen nemen voortdurend prikkels waar. De hersenen verwerken al deze informatie. Mensen zonder autisme zijn in staat deze informatie te ‘filteren’. Enkel wat belangrijk is, wordt doorgelaten. Als we een gesprek voeren, concentreren we ons op wat de andere zegt terwijl ‘onze filter’ de achtergrondgeluiden tegenhoudt. Mensen met autisme zijn niet (zo goed) in staat om alle prikkels te filteren. Ze zijn soms ‘overgevoelig’ voor prikkels. Alles komt dan even hard binnen en ze moeten dan wel tien keer meer informatie verwerken dan de gemiddelde mens! Dit kan voor heel wat stress zorgen. Anderen zijn dan weer ‘ondergevoelig’ aan zintuiglijke informatie. Zo zijn bijvoorbeeld sommige kinderen met autisme veel minder gevoelig voor pijn. Niet elke persoon met autisme is over- of ondergevoelig voor dezelfde dingen. Sommigen hebben meer problemen met geluiden, anderen met licht, bepaalde smaken of geuren.

Hoe kan je als jeugdleider hiermee rekening houden?

  • Informeer bij het kind of bij zijn ouders op welke overgevoeligheden je tijdens de activiteiten moet letten (bijvoorbeeld geluid, licht, geuren, aanraking).
  • Houd in drukke situaties, zeker als ze buiten de gewone routine vallen, een oogje in het zeil. Sommige kinderen kunnen dan zenuwachtig of prikkelbaar worden. Zoek samen naar een rustig plaatsje of bied een andere oplossing aan. Geef als het kind terug tot rust is gekomen concrete uitleg over de situatie: wat verwacht je dat het kind nu doet? Vertel of laat zien wat de bedoeling is.
  • Vraag aan de ouders of hun kind op tijd opmerkt of het dorst of honger heeft. Sommige kinderen hebben dan weer moeite om hun kleding af te stemmen op de temperatuur. Jouw clublid met autisme is misschien ongevoelig voor één van deze signalen.
  • Het lichaamsbesef kan anders ontwikkeld zijn, wat maakt dat het kind met autisme wat minder handig kan zijn. Vraag na bij de ouders hoe je nieuwe vaardigheden best aanleert. Leg de lat niet te hoog.
  • Zorg voor voldoende veiligheid. Als je bijvoorbeeld een hindernissenparcours hebt gebouwd, verken dan met het kind met autisme de verschillende onderdelen. Laat zien wat de bedoeling is.

Inspirerende voorbeelden:

Bij de Rakkers en Kwiks (10-12 jaar) staan pleinspelen op het programma, met als afsluiter een spelletje ‘Dikke Bertha’. Omdat Sander (10 jaar) vanwege zijn prikkelgevoeligheid moeite heeft met dit ruwe spel, mag hij intussen het drinken voor de pauze na de pleinspelen klaarzetten.

Enkele keren per jaar kunnen de jongverkenners hun kookkunsten oefenen op de woudloperskeuken. Voor Bram is dit moeilijk. Hij is overgevoelig voor geuren en smaken. Aanvankelijk bleef hij thuis als er woudloperskeuken op het programma stond. Samen met de ouders vonden de leiders een oplossing. Hij krijgt iets mee van thuis dat hij alleen nog maar hoeft op te warmen op het open vuur. Dit deelt hij met de leden van zijn patrouille die dit ook graag lusten.

    Moeilijkheden in het omgaan met anderen

    De kern van autisme is moeite hebben met het geven van betekenis aan alle informatie die binnenkomt. Bij het omgaan met andere mensen kan een woord, gebaar of gezichtsuitdrukking veel meer dan drie betekenissen hebben. Bovendien zeggen we ook niet altijd wat we bedoelen. Je zegt bijvoorbeeld tegen een groepje leden dat in plaats van de jaarlijkse fuif voor te bereiden, maar wat in de zetels hangt: ‘Goed bezig! Zo komt het helemaal in orde met de fuif’! terwijl je juist het tegenovergestelde bedoelt. De kans is groot dat de jongeren goed begrijpen wat je bedoelt en terug aan de slag gaan, behalve de jongere met autisme. Hij neemt je uitspraak letterlijk en blijft zitten. Het begrijpen van wat anderen bedoelen, zich inleven in anderen en het begrijpen van de sociale regels zijn voor kinderen met autisme een stuk moeilijker. Dat maakt het omgaan met anderen voor hen heel ingewikkeld. Hierdoor vinden ze niet altijd aansluiting bij de leeftijdsgenootjes in hun afdeling of doen ze niet meteen wat je als jeugdleider zou verwachten.

    Hoe kan je als jeugdleider hiermee rekening houden?

    • Help het kind met autisme om met leeftijdsgenoten om te gaan door zelf positief op hem te reageren en te werken aan een positieve sfeer in de groep, conflicten of misverstanden mee te helpen oplossen, uit te leggen wat andere kinderen bedoelen of verwachten, eventueel in je afdeling een buddy voor het kind met autisme te zoeken.
    • Zorg dat je heel duidelijk en precies bent in wat je verwacht. ‘Doe eens flink mee’ is een bijsturing die niet precies genoeg is als een kind wat staat te dromen. ‘Pieter, kom hier naast mij staan en gooi de bal naar Alice’ is een duidelijke instructie.
    • Bij een nieuw spel, bijvoorbeeld een variatie op een estafettespel, gaat een ander kind best als eerste aan de slag. Zo ziet het kind met autisme wat je van hem verwacht en is het niet alleen aangewezen op wat het hoort.
    • Deel de groepjes zelf in om te voorkomen dat het kind met autisme als laatste overblijft.

    Problemen met soepel denken en handelen

    Dankzij ons voorstellingsvermogen kunnen we meestal vlot bedenken hoe we iets gaan aanpakken of oplossen. Als ons plannetje niet werkt, bedenken we wel iets anders: je hebt op je programma een balspel voorzien, maar de bal raakt lek. Je doet dan maar een ander spel. Dit voorstellingsvermogen en deze soepelheid missen kinderen met autisme. Ze kunnen zenuwachtig of boos worden als hetgeen ze verwachten, niet kan doorgaan. Ze hebben vaak ook meer tijd nodig om de informatie die je geeft, te verwerken. Soepel denken heb je ook nodig om met regels om te gaan en een tegenslag te kunnen relativeren. Aangezien zij deze soepelheid missen, denken kinderen met autisme zwart-wit, met name over regels. Een tegenslag of een kleinigheid kan voor hen onoverkomelijk lijken. Hierdoor steken frustratie en boosheid sneller de kop op. Praktische handelingen, zoals het inpakken van een rugzak voor een tocht of zich omkleden na het zwemmen lijken eenvoudige taken. Voor kinderen met autisme vraagt dit echter veel inspanning, zeker wanneer ze iets kwijt zijn of de gebruikelijke gang van zaken wordt doorbroken. Ze hebben moeite om zich te organiseren. Voorstellingsvermogen heb je ook nodig om je vrije tijd in te vullen. Met name de momenten van vrij spel tijdens een kamp of weekend kunnen een obstakel zijn. Wat kan je dan doen? Waar moet je zijn? Mag je van het terrein? Met wie ga je dan iets samen doen? Aan wie vertel je waar je naartoe bent of wat je gaat doen, zodat je leider je kan vinden?

    Hoe kan je als jeugdleider hiermee rekening houden?

    • Zorg dat er voor de leden en hun ouders op tijd een helder en informatief maandprogramma beschikbaar is.
    • Overloop bij de opening het programma op een rustige manier. Wat staat er vandaag te gebeuren? Is het verloop zoals gebruikelijk of staat er iets bijzonders op het programma?
    • Voor veel kinderen kan iets opschrijven op een bord, al dan niet met een afbeelding erbij, helpen om een overzicht te krijgen over het verloop van de bijeenkomst. Meer dan andere kinderen willen ze precies weten wat er gaat gebeuren, met wie, wanneer, hoe lang en waar. Zo ontstaat er de nodige rust.
    • Bied duidelijkheid: als het kan een vast lokaal of plaats om buiten te spelen, een zo goed mogelijk voorbereide bijeenkomst, duidelijke regels, een gewoonte bij het begin en einde van de bijeenkomst,… Het zijn hulpmiddelen die alle kinderen ten goede komen, maar zeker de kinderen met autisme.
    • Zorg tijdens een kamp of weekend voor toezicht en zo nodig hulp bij praktische handelingen die wat organisatie vragen (omkleden, inpakken en beheren van een rugzak). Zorg dat het kind met autisme door tekorten op dit gebied niet buiten de groep valt.
    • Help de kinderen te relativeren als iets niet loopt zoals verwacht, als iets niet direct lukt of als een regel in hun zwart/wit beleving niet eerlijk is. Dit kan je doen door hun gevoel van frustratie te erkennen, even rust te bieden en nadien als ze er voor open staan de ervaring van dat moment in een groter plaatje te kaderen.

    Inspirerend voorbeeld:

    De scouts uit de gemeente van Bjorn (10 jaar) organiseren een overgangsritueel voor de welpen die dit jaar naar de jongverkenners gaan. Hoe dit in zijn werk gaat, wordt voor de welpen geheim gehouden. De meeste welpen kijken hier naar uit en vinden het extra spannend. De onvoorspelbaarheid over wat er gaat gebeuren geeft voor Bjorn echter te veel stress. Zijn leidster vertelt hem en zijn ouders van tevoren wat er gaat gebeuren, zodat het voor Bjorn ook haalbaar zal zijn om mee te doen.

    Sterke punten van mensen met autisme

    Ondanks de moeilijkheden die mensen met autisme ervaren, hebben ze door hun autisme ook sterke punten. Zo hebben ze meer oog voor detail waardoor ze heel precies kunnen werken. Als de regels en de verwachtingen duidelijk zijn, zullen ze zich hier (meestal) aan houden. Ze houden van rechtvaardigheid, duidelijkheid en een eerlijke aanpak. Als een onderwerp hen boeit, gaan ze er voor de volle honderd procent voor. In het omgaan met mensen zijn ze heel oprecht.

    Bron: Liga Autisme Vlaanderen (2018). Autisme in de jeugdbeweging. Bekijk hier het volledige document.

    Geef een reactie

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    Gerelateerde berichten

    Filter bestemmingen:

    Land
    Land
    Locatie
    Locatie
    Type
    Type
    Aanwezige hulpmiddelen
    Aanwezige hulpmiddelen